achtergrond

14 APRIL 2001 Antwerpse straatkinderen staan weer op straat

 

Bron: De Standaard

Het PAS ontfermt zich al geruime tijd over de Antwerpse straatkinderen. Maar het historisch pand waar de organisatie in huist, is verkocht. Het PAS heeft inmiddels een onderkomen gevonden, maar dat is maar voorlopig. "Het is niet omdat de straatkinderen de fase van het kind-zijn hebben overgeslagen, dat ze niet af en toe behoefte hebben om even een zorgeloos kind te zijn." Margot Vanderstraeten.

 

ALLES IS BETER DAN TERUGKEREN NAAR KOSOVO

"In mijn tweedehandswinkel in de Seefhoek, een kansarme buurt in Antwerpen, is het ruim zes jaar geleden allemaal begonnen", zegt Jo Goorden, coördinator straathoekwerkoverleg van de provincie Antwerpen. "Ik werkte toen nog parttime als coördinator. De rest van de tijd ston dik in mijn pandjeshuis. Daar verkocht ik spullen die de kansarmen me brachten. Dingen die ze uit het grof huisvuil hadden gehaald: stoelen, tafels, noem maar op. Ik kreeg er ook geregeld jonge gastjes over de vloer. Daar besefte ik voor het eerst dat er kinderen zijn die hun leven op straat doorbrengen. Ik leerde enkele jonge gasten kennen, van een jaar of twaalf, en bracht ze naar de Wolsack, waar ik mijn kantoor had en waar ze na mijn werk enkele uren mochten blijven."

"Een tijd later heeft de prositutieambtenaar van de stad me gevraagd om een obsevatiestudie te maken, met als thema "jonge gasten in de prostitutie". Drie maanden lang heb ik in de buurt van het stadspark rondgezworven. Met die studie is uiteindelijk niets gebeurd. Maar belangrijk is dat ik opnieuw diezelfde gasten tegenkwam."

"De meeste van die gasten komen uit Oost-Europe, meer bepaald uit ex-Joegoslavië. Het zijn bijna allemaal Roma-zigeuners. In ex-Joegoslavië worden Roma-zigeuners als vuil van de straat behandeld. Zij die in Antwerpen wonen, zijn weggevlucht uit een oorlogssituatie. Ze hebben gezien hoe hun vrienden werden vermoord, ze hebben mensen aan flarden zien schieten, ze hebben zich aan de onderkant van een vrachtwagen vast moeten klampen om de grens over te komen, ze hebben in krappe en onveilige boten de overtocht naar Italië gemaakt en ze zijn van daaruit naar België gekomen. Zonder papieren, zonder bagage, zonder te weten waar ze naartoe gingen."

"Hier leven ze in de clandestiniteit. Hun hele doen en laten speelt zich af in de grijze en zwarte circuits van de maatschappij. Alles draait om overleven. Ze hebben geen veilige plek. Ze hebben geen recht om te spelen, omdat ze ingezet worden om geld te verdienen. Ze moeten opbrengen. Thuisblijven doen ze niet. Omdat thuisblijven één hongerige maag meer betekent."

"Aangezien ze in de illegaliteit vertoeven, belanden ze gaus in de criminele sfeer en in de prostitutie. Fietsen en bromfietsen stelen, zakkenrollen, autoruiten inslaan, radio's en gsm's pikken. De meesten van hen gaan niet naar school, of maar zelden. En als ze naar school gaan, aarden ze er vaak helemaal niet. Vijf dagen per week op een schoolbank zitten, een heel jaar lang, als je niet weet waar je na de schoolbel naartoe moet, is niet niks. Met ouders die de nieuwe taal en de nieuwe cultuur niet begrijpne, misschien een vader die aan de fles zit en om de haverklap agressief wordt. Tussen volwassenen die met levensgrote oorlogstrauma's zitten. In een huis dat onbewoonbaar is verklaard, zonder gas, elektriciteit en water, waar alleen matrassen liggen en misschien wel twintig mensen wonen. De school zelf weet zich vaak ook geen weg met deze jongeren. Bij spijbelen worden ze bijvoorbeeld op dezelfde manier bestraft als onze jongeren. Terwijl de context uiteraard totaal verschillend is."

"Intussen ken ik sommige gasten heel goed. Sommigen van hen nemen bijzonder veel verantwoordelijkheid op zich, zeker zij die al Nederlands spreken. Ze moeten en willen hun omgeving helpen met allerlei papieren en formaliteiten. Hoe groot de groep is waarover ik spreek? Minstens honderdvijftig. Ja, dat aantal heeft ons ook verbaasd. Ze zijn niet alleen heel onzichtbaar, maar ook bijzonder mobiel."

"De gasten die ik in mijn pandjeshuis heb leren kenne, brachten al gauw hun vrienden mee naar de Wolsack. De groep werd zo groot dat we beseften dat er dringend een systeem in de opvang moest komen. Ironisch genoeg heeft de moord op het Roemeense straatjongetje Puia het project in een stroomversnelling gebracht. Drie maanden na zijn dood, nu bijna twee jaar geleden, wees de toenmalige schepen van Welzijn, Marc Wellens, ons drie jeugdwerkers toe. Het PAS (Project Antwerpse straatkinderen) was geboren.

Als ik in de tram naast een Belg ga zitten, schuift die vaak ANGSTIG op tot hij tegen het raam plakt.

Rasem, een van de straatkinderen van het PAS

"Het PAS is heel belangrijk voor mij. De mensen hier hebben we heel veel geholpen. Ik kom hier boterhammen eten, en als ik zin heb, doe ik aan activiteiten mee. Ze hebben bijvoorbeeld ook een school voor me gezocht en me geld geleend om een tramabonnement te kopen. Ik ga nog naar school, maar niet elke dag. Mijn hele familie woont in Antwerpen, en omda tik goed Nederlands spreek, hebben ze vaak mijn hulp nodig. Ik vind het belangrijker mijn familie te helpen dan een toets te maken."

"Vijftien ben ik. Of ik een vriendinnetje hebt? Ik ben zes maanden geleden getrouwd. Dat is de gewoonte bij ons: wij trouwen veel sneller dan jullie. Kinderen wil ik nog niet. Ik wil eerst een diploma automechanica halen en daarna gaan werken. Pas als ik werk heb, mogen er kinderen komen."

"Ik woon bij mijn ouders, mijn broers en mijn enige zus. Bij ons is het heel gewoon om als pasgetrouwd stel bij je ouders in te wonen. Toen ik nog in Kosovo woonde, deelden we met bijna veertig het huis. Nu zou ik dat niet meer kunnen. Te veel lawaai, te veel drukte. Mijn vrouw helpt mijn moeder. Mijn moeder is ziek. Ze heeft veel last van hoofdpijn. Met mijn vader gaat het ook niet echt goed. Hij heeft astma."

"Vroeger heb ik gestolen. Fietsje hier, fietsje daar. In de eerste plaat voor eigen gebruik, maar als je een fiets wilt verkopen, vind je natuurlijk altijd klanten. Voor honderd, soms tweehonderd frank, maar een pakje sigaretten kan ook al genoeg zijn. Ik heb ook rozen verkocht. En ruiten gewassen. En zwartgereden op de tram, natuurlijk. Totdat ik gepakt werd. Daarna heb ik gezegd: nooit meer. Want ik heb een voorlopige verblijfsvergunning, een formulier 26-bis. Dat betekent dat ik niet weet of ik hier mag blijven. Maar ik ga nooit meer terug. Alles is beter dan Kosovo. Ik spreek Nederlands en ik ken hier mensen. Ik wel blijven, automechanicus worden."

"Ik heb al eens in een auto gereden. Nee, geen gestolen auto, de auto van de vader van een vriend van me. We hebben er 's nachts een ritje mee gemaakt. Ook toen heeft de politie ons opgepakt. Omdat we te wild reen, denk ik. Ik heb al vaak te maken gehad met de politie, maar de laatste tijd veel minder. Ik gedraag me meer naar de normen van dit land. Toen ik nog bloemen verkocht, was ik zo slim om naar het Schipperskwartier te trekken. Ik verkocht er veel meer dan in alle andere buurten van de stad. Mijn beste avond was 3.500 frank, en dat is echt heel veel. Maar de politie kreeg er weet van en heeft me gearresteerd. Minderjarigen mogen in die buurt niet rondhangen."

"Wat ik met dat geld deed? Naar lunaparken trekken, mooie kleren kopmen, naar de disco gaan. Aan mijn ouders heb ik het nooit gegeven, die zouden kwaar worden. Ze willen niet weten wat ik op straat doe."

"Ik heb nooit seks voor geld aangeboden. Maar ik ken genoeg jongens die het wel doen. Ik vertrouw ook weinig mensen. Denk maar aan wat er met Puia is gebeurd. En denk aan het racisme. Als ik in de tram naast een Belg ga zitten, schuift die vaak angstig op tot hij helemaal tegen het raam plakt. Ik snap niet zo goed waarom mensen zo reageren. Ik ben een straatkind omdat ik geen echt plek heb waar ik kan komen en gaan. En omdat ik al jaren voor mezelf zorg."

"Hier in het PAS heb ik een goede plek gevonden. Bij die plek horen natuurlijk mensen, en bij mensen horen regels. Die dingen leer je hier, en dat vind ik echt belangrijk. Ik weet dat niet elk straatkinde er zoals ik over denkt. Hier lopen gasten rond voor wie alleen de wet van de sterkste telt. Ze dragen messen en schrikken nergens voor terug. Ze bestelen zelfs hun vrienden. Daarom is het goed dat dit project bestaat. Als die gasten hier zijn, zijn ze in elk geval nergens anders. Wie hier eten en drinken krijgt, hoeft niet op een andere manier aan zijn basisbehoeften te voldoen. Wie met deze groep mee gaat zwemmen, wast zich minstens een keer per week."

"Het is alleen jammer dat we moeten verhuizen. Net nu de meeste jongens zich hier een beetje thuisvoelen. Vanaf volgende week begint de verhuizing naar de Prekersstraat, in de Sint-Antdrieswijk. Ik denk dat het lang zal duren vooraleer de jongens die nieuwe plek als hun ruimte gaan aanvoelen."

 

ALLES IS BETER DAN TERUGKEREN NAAR KOSOVO

 

Dirk, straathoekwerker stationsbuurt en stadspark van Antwerpen

"Ik breng al zes jaar gemiddeld zestig procent van mijn werkdagen en -nachten op straat door. Ik wandel, ga op een bankje zitten, loop een café in en uit en spreek met iedereen die met me wil spreken. Behalve met klanten die op zoek zijn naar seks. Want als je voortdurend door die buurten slentert, denken de klanten dat je je "waren" aanbiedt."

"Ik weet niet wie de klanten zijn. Ik weet alleen dat vers jong vlees goed in de markt ligt en dat heel veel jongens daar niet zo'n probleem mee hebben. Het is voor hen makkelijk geld verdienen. Je lichaam levert meer op dan de verkoop van bloemen. Bovendien hoef je niet te smeken of iemand een roos wil kopen en word je niet weggejaagd door een café- of restauranthouder of door zijn klanten. De lente is bovendien een winstgevende periode: als de natuur ontluikt, komen ook de hormonen weer op gang en stijgt de vraag. In tegenstelling tot Kerstmis, bijvoorbeeld, want dan voelen de brave huisvaders meer schroom om een homoseksuele scheve schaats te rijden."

"Je zult weinig Roma-jongens vinden die toegeven dat ze in de prostitutie zitten. Homoseksulateit is taboe. Al hoor je ze soms wel onderling stoere praat verkopen en wisselen ze nu en dan ervaringen uit. Stanjes die klanten hebben gevraagd, bijvoorbeeld. Sommige jongens die zich hier vroeger prostituteerden, behoren nu zelf tot ee klanten. Van hen leren de gasten veel. Want sommigen wisten absoluut niet hoe je een klant moet behagen. Het is lang niet altijd gewoon afrukken en wegwezen. Prostitutie is meer dan seks. Het komt geregeld voor dat de jongens bij hun klanten blijven slapen. Of dat die hen ergens naartoe brengt."

"Als straathoekwerker is het ook niet mijn bedoeling die jongens uit de prostitutie te halen. De goede boodschap verkondigen heeft absoluut geen zin, integendeel zelfs. Maar ik geef ze wel condooms. Want ook dat is een probleem: leer die gasten maar eens wat seksueel overdraagbare aandoeningen zijn. Ze willen ook niet dat je hen rechtstreeks aanspreekt over hun seksuele contacten met mannen. Je moet doen alsof je hen voorzichtigheid voor seks met vrouwen bij wilt brengen. Bovendien kennen ze de lokroep van het geld: het is voor hen niet eenvoudig om tegen een klant die meer biedt voor seks zonder condoom, nee te zeggen."

"Natuurlijk proberen ze me voortdurend te provoceren. Ze willen me masseren of beginnen zich voor mijn neus te masturberen. Ze zijn zeker vlugger geslachtsrijp dan wij. En toch: het is niet omdat ze de vase van het kind-zijn hebben overgeslagen, dat ze niet af en toe behoefte hebben om even een zorgeloos kind te zijn. Als ik tijd maak om doodeenvoudig tikkertje te spelen, zie je ze daarvan genieten. Gewoon achter elkaar aanrennen als een kind, dat vinden ze soms zalig. Ze kunnen ook ontzettend genieten van een dagje naar het pretpark."

"Ik besef heel goed dat die gasten als zand zijn dat door mijn vingers glijdt. Hun toekomst is voorspelbaar. De kans is groot dat ze in de gesloten instelling in Mol belanden, opgesloten onder het maatschappelijk welluidene mom van "bescherming tegen de prostitutie". Dat is uiteraad nonsens, want de overheid doet niets aan de prostitutie. Ze schept voor deze jongens geen alternatieven."

"Het PAS levert heel goed werk. De Oost-Europese straatkinderen krijgen er een gezicht en een structuur. Want het leven van straatkinderne is pure chaos. Regels kennen ze niet. Het feit dat ze een plek hebben waar ze gewoon in en uit kunnen lopen en waar ze op enkele aanspreekpunten kunnen rekenen, is al enorme stap in de goede richting."

"Ik snap goed dat die jongens op zoek zijn naar een inkomen. En dat ze, bij gebrek aan een legaal alternatief, hun eigen overlevingsstrategie uitbouwen. Ze leven echt van dag tot dag. Het PAS is in Antwerpen hun enige terugvalbasis. Dat die werking nu naar een kelder moet verhuizen, is een ramp. De stad moet er iets aan doen of ze verliest deze jongeren weer aan de straat. Ik vrees dat het tijdelijke onderdak in de Prekersstraat de voorbod eis van de opheffing van het project. Want er zullen uiteraard minder jongeren daar de Prekersstraat trekken. De kelder heeft geen daglicht, bestaat uit maar één enkele grote ruimte en biedt lang niet voldoende mogelijkheden voor een goede activiteitenplanning. Ik vind at de de stad zijn nek moet uitsteken. Als we niet oppassen, sterft het project een stille dood in een godvergeten kelder."

Silke, een van de drie jeugdwerkers bij het PAS "Ik ben als vrouw tussen al die gasten niet bang. Maar af en toe moet ik op mijn tanden bijten. Ze proberen natuurlijk van alles: handtastelijk worden, uitdagen, noem maar op. Vorige keer ben ik voor het eerst in vijf maanden mee gaan zwemmen. Dat moment had ik zo lang mogelijk afgehouden, omdat ik wist dat ze niet van me af zouden blijven. Maar je kunt dat gedrag vrij goed inperken als je ze duidelijk maat dat je dat absoluut niet op prijs stelt. De jongens kennen trouwens in het algemeen weinig schroom. Ze masturberen zich in het openbaar en kunnen soms moeilijk van andere zwemmers afblijven."

"Sommige dagen zijn ontzettend zwaar, maar ik blijf het graag doen. Omdat ik besef dat deze marginale gasten nergens naartoe kunnen. En dat wij de enigen zijn die hen bereiken. Ik haal er voldoening uit dat we ze leren voor het eten hun handen te wassen. Dat we ze verplichten de tafel af te ruimen. Dat ze meedoen aan een breakdancewedstrijd, daarvoor zenuwachtig zijn en voor een keer keurig op tijd komen. Dat een enkeling er af te toe in slaagt twee tot drie uur geboeid te zijn tijdens een knutselnamiddag. Dat zij die overal uit de boot vallen, bij ons toch een pied-à-terre gevonden hebben. En vooral dat ze niet de hele tijd op straat hangen, en door hun omgang met ons misschien die noodezakelijke lessen leren die nodig zijn om in onze burgermaatschappij gewoon te functioneren."

Het intervieuw met Rasim vond plaats in een kantoor van de Wolsack. Op het prikbord hangt een kleurenfoto van Kathy Lindekens, met daarbij de woorden: "Dit wordt de kindvriendelijkste stad van het land." Onder die mooie woorden prijkt een grote zwartwitfoto van de Roemeense jongen Puia, wiens lijk twee jaar geleden versneden in een sporttas is teruggevonden. In de Wolsack is Puia nooit over de vloer geweest. Het werkelijke aantal straatkinderen is dus wellicht groter dan het aantal dat de weg naar het PAS heeft gevonden.