achtergrond

MAART 2009 Het Antwerps Postitutiebeleid

Bron: CAW De Terp

Prostitutie was vorige maand even een hot issue op het Antwerpse stadhuis. De aanleiding was het vrijgekomen prostitutierapport van onderzoekster Marion Van San.
Het rapport, dat een actueel beel wil schetsen van het prostitutielandschap en het aansluitende hulpverleningsaanbod in Antwerpen, kreeg echter voornamelijk media-aandacht omwille van de gebrekkige communicatie erover en de beperkte inzage voor pers en politiek.

 

Het Antwerps prostitutiebeleid

 

Het feit dat er persoonlijke interviews met sekswerkers in de "gecensureerde" hoofdstukken voorkwamen, weerhield sommigen er niet van om stellig op de nagel van de "openbaarheid van bestuur" te staan.
Maar los van de reden die de interesse voor het onderwerp heeft gewekt, is het voor de hulpverleners in het veld een zegen dat het thema terug op de beleidstafel komt. Het vorig Antwerps postitutiebeleidsplan dateert van 1999 en is toe aan acualisatie. Een engagement dat er met het rapport van Van San is gekomen.

Dat Antwerpen een prostitutiebeleidsplan heeft, is an sich niet onverdienstelijk. Heel wat Europese steden kannen het fenomeen van raam-, straat- en barprostitutie maar stippelen er geen specifieke aanpak voor uit, laat staan dat ze er een beleidsprioriteit van maken.
In eigen land heeft Brussel nog geen geïntegreerde politieke visie op prostitutie. De ingewikkelde bestuursstructuur van de stad speelt daarbij natuurlijk een niet te verwaarlozen rol. En desondanks krijgen verschillende hulpverleningsorganisaties zoals Espace P en Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) Mozaïek toch middelen om de hulpverlening voor een grote groep prostitué(e)s te verzekeren.

Kwetsbaarheid

Bordelen en bars op steenwegen, het tippelen in parken of aan parkings, prostitutie mag dan voornamelijk een (rand)stedelijk fenomeen zijn, het vereist een geïntegreerde aanpak. Bij de meeste sekswerkers is er immers sprake van problemen binnen verschillende levensdomeinen. Ze behoren per definitie tot de sociaaleconomische onderlaag van de maatschappij en zijn veelal kwetsbaar op nog andere vlakken. Drugsverslaving, psychiatrische problematiek, een lage scholingsgraad, een precair verblijfsstatuut, geen toegang tot de arbeidsmarkt en een beperkt of afwezig sociaal netwerk, het zijn moeilijkheden die we bij een grote groep sekswerkers vasstellen. Ook hun voorgeschiedenis is vaak belast. Sommigen hebben een instellingsverleden, werden misbruikt, anderen vluchtten weg voor repressie omwille van hun seksuele geaardheid.
Prostitutie is daarom meestal een overlevingsstrategie en geen bewuste keuze. Een paar klanten per week zorgt voor brood op de plank of extra geld om een verslaving te onderhouden. Ze hebben geen legale bron van inkomsten en zien prostitutie als één van de vele manieren om aan geld te komen.

Vergeten groep: jongensprostitutie

Het Antwerps prostitutiebeleid heeft de afgelopen jaren hoofdzakelijk werk gemaakt van de slechte situatie in het Schipperskwartier, waar met name vrouwen in de raam- en barprostitutie werken. De raamprostitutie werd er aan strikte voorwaarden onderworpen, er zijn min of meer succesvolle ingrepen gedaan om mensenhandel tegen te gaan en de toegenomen politieaanwezigheid heeft de veiligheid in de wijk vergroot. Naast de betaande hulpverleningsinitiatieven opende Gezondheidshuis Antwerpse Prostitutie (Ghapro) er in 2002 de deuren om medische en sociale hulpverlening te verstrekken aan sekswerkers in de wijk. De wanpraktijken in het Schipperskwartier zijn door al deze inspanningen niet verdwenen, maar toch is de verbetering aanzienlijk.

De persartikelen die recent over het prostitutiebeleid verschenen stellen de tippelende jongens voor als een relatief nieuw fenomeen in Antwerpen. Dat is echter niet zo. Het stadspark heeft historisch de reputatie een oppikplaats te zijn voor mannelijke klanten die op zoek zijn naar tippelende mannen en jongens. Alleen is hier in het verleden door de beleidsmakers en media minder aandacht aan besteed, simpelweg omdat het om een aanzienlijk kleinere groep gaat dan de vrouwelijke sekswerkers.
De mannen- en jongensprostitutie speelt zich derhalve nog meer af in de marge van de samenleving. Om diezelfde reden is het ook moeilijk om de exacte omvang van de Antwerpse jongensprostitutie in kaart te brengen. Er werd tot op heden zowel in binnen- als in buitenland weinig onderzoek naar gedaan waardoor de cijfers zich vooral beperken tot de aantallen die door hulpverleners werden geregistreerd (Tranact. 2006).
Naa schatting 200 mannen en jongens tippelen op de straten en in de bars in de omgeving van het Stadspark en het Centraal station (Van San, 2007). De uitdrukking "jongensprostitutie" betekent niet dat het uitsluitend om minderjarigen gaat. De leeftijd van de jongens varieert meestal tussen 16 en 25 jaar. Ongeveer 15% zou minderjarig zijn.
Slechts een minderheid van de jongens die daar vandaag tippelt zijn autochtoon. Een groeiende groep komt uit Oost-Europa en daarnaast gaat het om jongens uit en Maghreb of een Latijns-Amerikaans land.
Ze zijn met hun familie gevlucht voor armoede of oorlog en vinden moeilijk aansluiting bij onze maatschappelijke voorzieningen. Ze zijn soms dak- en thuisloos, gaan amper of niet naar school, vinden moeizaam werk of ze hebben geen verblijfspapieren. Prostitutie is voor hen één van de vele manieren om te overleven. Zij hebben geld nodig en weten dat ze dat in het Stadspark kunnen verdienen. Ook andere vormen van kleine en grote criminaliteit schuwen ze vaak niet.

Vinden en binden

Boysproject, een deelwerking van CAW De Terp, richt zich al sinds juni 2001 op de groep jongensprostitués in Antwerpen. Zij bereiken zo'n 200 mannelijke sekswerkers per jaar via een laagdrempelig aanbod en werken volgens het principe 'vinden en binden'. In de praktijk betekent dit dat hulpverleners tweemaal per week de straat opgaan in de prostitutiebuurten om er contacten te leggen met de jongens. Zij luisteren naar hun verhalen, geven informatie en doen aan veilig vrijen preventie. Zodra er enig vertrouwen ontstaat nodigen ze de jongens uit voor de drop-inn, een onthaalruimte, waar ze driemaal per week kunnen langskomen om even uit te rusten, of om een gesprek te hebben met een hulpverlener.
Vanuit de drop-inn werken de hulpverleners zoveel mogelijk aan het uitbouwen van een netwerke samen de de sekwerker, zodat die zelf zijn weg leert vinden binnen de complexiteit van bestaande instellingen en voorzieningen.

Als de jongens bereid zijn, wordt§ samen met hun opzoek gegaan naar alternatieven voor de prostitutie.
Aangezien ze meer risicio lopen op seksueel overdraagbare aandoeningen, voorziet het Boysproject in samenwerking met Ghapro ook tweewekelijks een gratis doktersconsultatie. Daar kunnen de jongens zich laten testen op SOA's en zich laten vaccineren tegen hepatitis B.

De sekswerkers staan bij de eerste contacten bijna altijd afkerig tegenover hulpverlening. Dit heeft een aantal redenen waarvan het gebrek aan vertrouwen de voornaamste is. De hulpverlener moet in de eerste plaats duidelijk maken dat hij de sekswerkers niet willen laten oppakken of plaatsen. Zeker jongens die tot de meest kwetsbare groep behoren, in het bijzonder jongens uit Roemenië of voormalig Joegoslavië, zijn voor de hulpverlening moeizaam toegankelijk. Daarnaast is het voor de meeste jongens überhaupt moeilijk om het tippelen bespreekbaar te maken. Ze moeten omgaan met een dubbel taboe: dat op homoseksualiteit en dat op prostitutie.

Boysproject gaat uit van een geïnegreerde aanpak, want enkel door te werken aan de achterstelling op economisch en psychosociaal vlak krijgen deze jongens een kans op een leven buiten de prostitutie. Het vertrouwen van de sekswerker is dus een voorwaarde voor het slagen van de hulpverlening. Enkel dan zijn de jongens bereid om hun problemen op medisch, materieel, familiaal, sociaal of emotioneel vlak bespreekbaar te maken;

Twee sporenbeleid

Naast aandacht voor het Schipperskwartier heeft het Antwerps beleid de afgelopen jaren de tippelprostitutie, zoweel in de Atheneumbuurt als in de omgeving van het Staspark, proberen terugdringen, onder het credo: straatprostitutie is niet verenigbaar met veilige en leefbare woonwijken.

De tendens om vanuit het politiek beleid veiligheid te laten primeren boven het welzijn van specifieke doelgroepen is trouwens in de gehele sociale sector voelbaar, met name daar waar hulpverlening met doelgroepen werken die voor overlast kunnen zorgen, zowel dak- en thuislozen, drugsverslaafden, enz.

Via verhoogde prolitiecontroles en structurele verbeteringen door projectontwikkeling, moeten verpauperde wijken, zoals het Schipperskwartier, in de eerste plaats aangenamer en veiliger worden voor bewoners en bezoekers. De hulpverlening draagt meestal pas op de tweede plaats zijn steentje bij, met ls belangrijke kantlijn dat welzijn ten dienste dreigt te gaan van een politiek overheersend 'veiligheidsparadigma' (Geldo, 2006).

Het lijk paradoxaal dat hetzelfde beleid enerzijds repressief optreedt tegen tippelprostitutie en anderzijds middelen pompt in hulpverleningsinitiatieven. Het plaatst ook terecht vraagtekens bij de aansluiting tussen het werk van politie en hulpverlening.

Zo geeft het actief opsporen van tipplende prosituté(e)s door de politie tot op vandaag slechs beperkte resultaten. Nog steeds wordt er getippeld aan het Atheneum en het Stadspark en is er meer verdoken prostitutie ontstaan waarbij sekswerkers snel en onveilig hun werk doen (Van San 2008). Bovendien blijkt dat de prostitué(e)s het internet of andere plekken in de stad gebruiken om klanten te zoeken, waardoor de problemen zich verplaatsen en nog nefaster zich onoverzichtelijk verspreiden voor de hulpverleners.

Het verklaart in ieder geval waarom er aan het ene uiteinde van het debat voorstanders ontstaan van "gelegaliseerde" tippelzones en aan de andere kant pleitbezorgers van een zero tolerance beleid tegen straatprostitutie.

Tippelende sekswerkers oppakken biedt ook geen blijvende oplossing. Vaak komen ze na hun vrijlating op straat terug en hervatten het tippelen omdat ze daarmee snel aan geld komen; Hulpverleners hebben veelal een betere kans  om te werken aan een bestendig alternatief voor prostitutie. Verandering is namelijk enkel mogelijk wanneer een prostitué(e) intrinsiek gemotiveerd geraakt om iets te wijzigen aan zijn of haar situatie. Bovendien focust de hulpverlening niet op het tippelen, maar gebruikt het als ingang om te werken aan de weerbaarheid en het netwerk van de sekswerker.

En toch sluiten de 2 beleidssporen elkaar niet uit. Vanuit het prostitutiebeleidsplan heeft men in het verleden de klemtoon geleg op veilige en leefbare woonwijken via repressie van straatprostitutie. Pas in tweede instantie kwam het welzijn van de sekswerker in beeld.

Voor het nieuwe beleidsplan is het nodig om die twee doelstellingen een gelijkwaardige positie te geven en ze tot een gedeele veranwoordelijkheid te maken. Dat wil zeggen dat politiediensten zich niet enkel toeleggen op het opsporen en aanpakken van straatprostitutie en de illegale praktijken die ermee samenhangen. Ze moeten ook oog hebben de de problematische context van de straatprostitué(e)s en bereid zijn tot systematisch overleg de met hulpverleners in het veld. Vooral een grote betrokkenheid van de wijkpolitie is daarbij cruciaal.

Hulpverleners mogen op hun beurt de ogen niet sluiten voor de druk die ontstaat op de leefbaarheid in de woonwijken. Hun opdracht mag zich niet beperken tot het welzijn van de sekswerkers, maar ze moet een bredere vertaling krijgen met een duidelijk maatschappelijk aspect. Harm reduction houd tin dat de hulpverleners de veiligheidsrisiso's beperken voor jongens maar ook voor hun omgeving. Door mee de zorg voor de buurt op te nemen kunnen ze de sekswerkers beter sensibiliseren en aanspreken op gedrag dat een negatieve impact heeft op de omgeving.

Boysproject ziet het overleg met de politie, zowel met medewerkers van de cel prostitutie als met de wijkagenten, als een noodzaak om rollen en doelstellingen op elkaar af te stemmen, maar ok om ze zuiver te houden. Om een degelijk vervolg te bieden op het vinden en binden moet het partnership ook worden uitgebreid naar de geestelijke gezondheidszorg en lokale onderwijs- en tewerkstellingsprojecten. Maar ook de buurtcomités en de bewoners die zich bekommeren om de levenskwaliteit van hun wijk willen we beter informeren over de inspanningen die politie en hulpverleners leveren.


Dit pleidooi om de hulpverlening een evenwaardige plaats te geven in de opmaak van het nieuwe prostitutiebeleidsplan is gebaseerd op een reële zorg. De kwetsbaarheid van de groep jongensprostitués en bij uitbreiding ook de tippelende vrouwen, neemt toe mede doordat de instroom aan nieuwkomers uit Oost-Europa en Noord-Afrikaanse landen groeit.

Ze nemen hun toevlucht tot straatprostitutie omwille van hun maatschappelijk zwakke positie en ze recidiveren uiteindelijk omdat hun situatie ten gronde niet verandert. Parallel daarmee zien we dat hulpverleningsinitiatieven en maatschappelijke voorzieningen door deze kwetsbare groepen overvraagd geraken, met als resultaat dat de voorwaarden en regels om toegang te krijgen tot hulp strikter worden en dat een grotere groep tussen wal en schip dreigt te vallen. Een tastbaar politiek antwoord mag dus niet achterwege blijven.


Evan Mangelschots en Bart Vandenbroucke Voorjaar 2009


1 prostitué(e) en sekswerker worden in de tekst door elkaar gebruikt evenals tippel- en straatprostitutie.

Ramen en bars in het Schipperskwartier zijn echter één deel van de Antwerpse prostitutiescène, de tippel- of straatprostitutie een andere. In Antwerpen speelt de tippelprostitutie door vrouwen zich veelal af in de Atheneumbuurt, terwijl de mannen- en jongensprostitutie in en rond het Stadspakr en de buurt van het Centraal Station plaatsvindt.